Drop-in benadering versus de ontwikkeling van innovatieve moleculen

Leon Mur

E-mailadres: leon.mur@plantenstoffen.nl

In oktober was ik op uitnodiging van Cosmetic Valley in Parijs om deel te nemen aan een innovatiebeurs voor de cosmetische sector. Het Kenniscentrum Plantenstoffen stond hier met een stand van de Extractenbibliotheek om de cosmetische sector te informeren over de kansen en mogelijkheden op het gebied van plantenstoffen. De aanwezige bedrijven, waaronder grote namen als L’Oréal en Johnson & Johnson, toonden grote interesse in de Extractenbibliotheek en samenwerking met de Nederlandse tuinbouwsector.

Nieuwe oplossingen voor bestaande problemen

In totaal voerde ik meer dan veertig gesprekken met verschillende bedrijven. Bijna allemaal zijn zij op zoek naar innovatieve plantenstoffen met specifieke werkingen zoals het tegengaan van huidveroudering. Het Kenniscentrum is voor hen interessant vanwege de rol wij kunnen spelen bij het faciliteren van de samenwerking met de Nederlandse tuinbouw bij de kwalitatieve teelt en de veredeling van plantenmateriaal.

De cosmetische sector vraagt naar nieuwe oplossingen voor bestaande problemen. Veel minder geïnteresseerd zijn ze in het vervangen van bestaande, chemische ingrediënten op basis van aardolie voor een plantaardig alternatief – de zogenaamde ‘drop-in’ benadering. De drop-in benadering leidt vaak tot discussies over de kostprijs van productie, waarbij het voor de tuinbouwsector moeilijk is om te concurreren.

De kansen liggen bij innovatieve moleculen

Dit bevestigde voor mij wat we ook zien in andere sectoren: de meeste energie in het bedrijfsleven zit in de ontwikkeling van innovatieve moleculen. Bedrijven zijn op zoek naar werkzame stoffen voor de ontwikkeling van bijvoorbeeld nieuwe gewasbeschermingsproducten, geneesmiddelen of smaakstoffen. In feite sluit dit goed aan bij wat de Nederlandse tuinbouw en kennisinstellingen te bieden hebben.

Waar de focus een paar jaar geleden nog lag op het gebruik van reststromen, is de sector nu veel meer bezig met de ontwikkeling van teelten voor nieuwe markten.

Er is echter wel een langere adem voor nodig. De trajecten die komen kijken bij productontwikkeling nemen vaak een aantal jaren in beslag. We zullen veel moeten investeren in onze kennisinfrastructuur en samenwerkingsmodellen voordat de impact voor de Nederlandse tuinbouwsector, maar ook de andere sectoren, zichtbaar wordt. Ik geloof echter dat deze keuze zich op de lange termijn gegarandeerd terug gaat betalen. Het biedt een uitgesproken kans voor de tuinbouwsector om zich internationaal op de kaart zetten en om gericht vorm te geven aan de toekomst van de sector.